Sunday, May 04, 2008
Saturday, May 21, 2005
ZWITSERSE HUURSOLDATEN
________________________________
Inleiding
De Oranje Stadhouders hielden er liever een soort vreemdelingen legioen
op na, dan een nationaal leger. Zo’n huurleger kon vooral worden
ingezet bij binnenlandse rellen of opstand. De achttiende-eeuwse Patriotten
hebben dit aan de lijve ondervonden. Het zogenaamde Staatse leger bestond
dan ook uit hoofdzakelijk buitenlanders , zonder enige binding met de 16e
t/m de 18e eeuwse Republiek. Bij werkelijke aanvallen en invallen op
Nederlands grondgebied bleek het huurleger zeer onbetrouwbaar te zijn.
Was het geld op of waren ze overbodig, dan werden ze afgedankt. De
allerbeste huursoldaten waren de Zwitsers. Het spreekwoord zegt: ‘Geen
geld, geen Zwitsers’. Zelfs Koning Willem I had nog een Zwitsers
regiment. Zijn nieuwe Koninkrijk der Nederlanden kon deze dure Zwitsers
niet meer betalen en om die reden werd het Zwitsers regiment ontbonden.
Sinds die tijd was het behelpen met dwarsliggende Nederlandse
dienstplichtige militairen.
AFGEDANKTE ZWITSERSE SOLDATEN
Trieste gebeurtenis beschreven door Lambert Rijksz Lustigh.
.......... Loenersloot vier Duitsers afgedankte Switsers van uijt
Uijtregt na Amsterdam voort quamen reijsen, die (welde) geen gelt hadden
om eten te kopen en grooten honger hebbende en niet wetende waar sij den
honger mede stillen souden, soo sien sij aldaar in een ouwe vuijle sloot
eenige calmins wortelen staan, welke wat bitter van smaake sijn, en van
welke sij oock wat proeven, maar daar bij soo sien sij eenen (disbronte)
wortel hebbende de gedaante van een (pinxternabrel), de welke sij oock
uijt trekken, en daar van een ijgelijse wat medelende ende alsoo de smaak
van dese wortel wat zoutagtiger was, soo aten sij desselve wortel bij
stuckens op ende soo ras en hadde sij dese wortel niet opgegeten of een
deser 4 personen die wort qualijk en sij met haar vier personen een
weijniges voortgegaan sijnde, soo quamen sij bij een Herberge tot
Loendersloot, ende doen eijsche dese qualijken man een weijnigje genever,
't welck men aen hem gaf, doch het wert hiermede niet beter, maar erger,
waarom dat de lieden aldaar hem tusschen twee mannen gaande aen een huijs
van een medicijnmr. bragten welke medicijnmr. aenstonts wat in gaf, dogh
dat en holp niet, waarom dat de medicijnmr. hem andermaal wat ingaf en
doen raakte hij aen 't braken, waardoor hij het fenijn quyt raakt, ende
wederom bij de drie andere personen met de doot te worstelen, want die
waren soo van malkanderen uijtbreijden, en alle drie soo haastelijk als
samen den doot stierven, voorwaar een vreemde sake en (droohtig) voorval,
weijninge diergelijx alhier te lande gebeurt.
AFGEDANKTE ZWITSERSE SOLDATEN
Vrije weergave van bovenstaande tekst.
Vier afgedankte Duits Zwitserse soldaten gingen begin achttiende eeuw te voet
van Utrecht naar Amsterdam. Ze hadden grote honger, maar geen geld om eten
te kopen. Ze zochten in de natuur voedsel om hun honger te stillen. Aan de kant
van een vervuilde sloot zagen ze enige wortelen, die zij uit de grond trokken en
opaten. De smaak was zo bitter en zoutachtig, dat zij die met stukjes en beetjes
naar binnen werkten. Direct na het eten werd é é n van de vier onwel. Gevieren
gingen ze verder tot aan een herberg te Loenersloot. De zieke man vroeg en
kreeg als medicijn een beetje jenever. Zijn toestand werd er echter niet beter
op, maar juist slechter. Ondersteunt door zijn twee kameraden werd hij naar het
huis gebracht van een ‘medicijnmeester’. Deze dorpsdokter gaf de patiënt een
braakmiddel, waardoor hij het gif uit zou spuwen. Het hielp niet direct, pas na
een tweede poging moest de patiënt overgeven. Ook de andere drie soldaten
werden onwel en worstelden met de dood. Allen stierven binnen korte tijd.
Volgens Lustigh was dit een triest voorval, dat weinig in Holland voorkwam.
Lustigh vertelt niets over het gebrek aan sympathie onder de bevolking voor
huursoldaten. Vaak stroopten losgeslagen huursoldaten het platteland af en
punderden afgelegen boerderijen.
STAATSE HUURLINGEN
De zestiende-eeuwse plattelandsbevolking had niet alleen vrees
voor de Spanjaarden, ook het Staatse Leger (Nederlandse huurleger)
was hun vijand. Het Staatse Leger was, zolang de 80-jarige oorlog
duurde, op voet van oorlog. Dat wil zeggen, iedere ingehuurde
legerbende, geleid door ingehuurde officieren, leverde een gevaar op
voor het platteland. Deze officieren kwamen meestal voort uit de
allerlaagste Duitse adel en waren even meedogenloos als zij die uit
de lagere rangen waren opgeklommen. Van nog minder allooi waren de
soldaten, die over het algemeen uit de armste asociale klasse
kwamen. Voor een groot deel waren het buitenlanders, vooral uit de
achterlijkste gebieden in het oostelijke deel van Duitsland en
Polen. Ook armlastige Schotten werden huursoldaat. Huurlingen
werden betaald, moesten hun misdadige werk doen en werden geminacht.
Door de aard van het 'bedrijf' waren het rauwe klanten,
voor wie tijdens de veldtocht de plattelanders (vooral vrouwen) niet
veilig waren. Nood en zucht naar avontuur hadden ze het huurleger
ingedreven. (aan welke kant ze vochten, het maakte niet uit) Waren
ze eenmaal soldaat, dan was terugkeer naar de burgermaatschappij
vrijwel uitgesloten. De maatschappij was veelal niet bereid hen op
te nemen. Eenmaal soldaat, altijd soldaat.
Hun Nederlandse overheden bedreven de grootste huichelarij, eerst
misbruik maken en vervolgens uitkotsen. Een voorbeeld van
huichelarij leverde Constantijn Huygens.
Hij was de hoogste ambtenaar aan het Hof van de
Oranjes. Huygens maakte op veilige afstand veldtochten van het
Staatse vreemdelingenlegioen mee. Hij die bij uitstek een kenner van
het militaire leven was, vergeleek in een sneldicht het
soldatenleven met dat van hoeren.
"Denk waar de lege maag/ een kalis (kale neet toe vervoert: voor
slechts 5 stuivers daags/ ben ik bereid te sterven. Ziet snollen, ik
verhuur mijn vlees/ tot slaan en kerven. Wat hebt gij lichter werk /
die 't uwe maar verhoert".
Veel moeilijker was het voor vrouwen die hun man als blijvende
oorlogsinvalide uit de strijd zagen terugkeren en samen met hem tot
de bedelstaf werden gebracht. Ook hier maakte Huygens vol
LEEDVERMAAK een rijmpje op:
"Noch wensen sij maer half dat hij moght vertellen,
Verlegen met een stomp, verrijckt van 't derde been (kruk)
Verr'ongerieff een mancke mann als geen;
Dat graffschrift schencken hem de naeste van sijn magen,
En dat's de rotte vrucht van bloed om goed te wagen"
Spreekt uit deze regels medelijden met het lot van de ongelukkige bedelaar?
Minachting wint het hier van bewogenheid. Wie laag genoeg staat zijn leven voor geld op het spel
te zetten moet niet klagen als het fortuin zich tegen hem keert. Hier strekt niet sterk het besef,
DAT DIE SOLDAAT TOCH MAAR ZIJN HUID GEWAAGD HEEFT, OMDAT HUYGENS EN ZIJN SUPER RIJKE VRIENDEN LIEVER NIET ZELF GAAN STRIJDEN VOOR KERK EN VADERLAND EN ZICH KUNNEN VEROORLOVEN DIE PLICHT TEGEN BETALING DOOR ANDEREN TE LATEN VERVULLEN.
_____________________________________________
lustigh-zwitserse-huursoldaten.blogspot.com
_______________________
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
_________________________________________________
Nieuws.nl - 'Opstand tegen Spanje was misdadige oorlog'
Woensdag 17 oktober 2007
'Opstand tegen Spanje was misdadige oorlog'
Uitgegeven op dinsdag 16 oktober 2007 om 15:14:51
(Novum) - De Opstand tegen Spanje was in de zestiende en
zeventiende eeuw een misdadige oorlog en geen glorieuze
bevrijdingsstrijd. Dat stelt Neerlandicus Leo Adriaenssen, die
vrijdag 26 oktober promoveert aan de Universiteit van Tilburg.
Adriaenssen onderzocht hoe de plattelandsbevolking rond Den
Bosch het oorlogsgeweld onderging. Troepen van de
Republikeinse staten zouden oogsten hebben vernield,
landerijen onder water hebben gezet en dorpen hebben verbrand.
Willem van Oranje was de initiator van dit beleid. Zijn zonen
Maurits en Frederik Hendrik waren hier medeverantwoordelijk
voor.
Ieder verzet werd volgens Adriaenssen beantwoord met
gijzeling, brandstichting, marteling en roof. De Tachtigjarige
Oorlog zou, gezien de mate van geweld waaraan de
plattelandsbevolking werd blootgesteld, niet te rechtvaardigen
zijn geweest. Volgens Adriaenssen had de bevolking in
tegenstelling tot bijvoorbeeld Hollandse kooplieden maar
weinig belangen bij de nieuwe staat.
Door de oorlog liep de bevolking rond Den Bosch met zeventig
procent terug. De Spaanse overheersing in het gebied was in
1629 voorbij. De Republiek sloot in 1648 vrede met Spanje.
[Copyright 2007, Novum]

_______________________________________________
Inleiding
De Oranje Stadhouders hielden er liever een soort vreemdelingen legioen
op na, dan een nationaal leger. Zo’n huurleger kon vooral worden
ingezet bij binnenlandse rellen of opstand. De achttiende-eeuwse Patriotten
hebben dit aan de lijve ondervonden. Het zogenaamde Staatse leger bestond
dan ook uit hoofdzakelijk buitenlanders , zonder enige binding met de 16e
t/m de 18e eeuwse Republiek. Bij werkelijke aanvallen en invallen op
Nederlands grondgebied bleek het huurleger zeer onbetrouwbaar te zijn.
Was het geld op of waren ze overbodig, dan werden ze afgedankt. De
allerbeste huursoldaten waren de Zwitsers. Het spreekwoord zegt: ‘Geen
geld, geen Zwitsers’. Zelfs Koning Willem I had nog een Zwitsers
regiment. Zijn nieuwe Koninkrijk der Nederlanden kon deze dure Zwitsers
niet meer betalen en om die reden werd het Zwitsers regiment ontbonden.
Sinds die tijd was het behelpen met dwarsliggende Nederlandse
dienstplichtige militairen.
AFGEDANKTE ZWITSERSE SOLDATEN
Trieste gebeurtenis beschreven door Lambert Rijksz Lustigh.
.......... Loenersloot vier Duitsers afgedankte Switsers van uijt
Uijtregt na Amsterdam voort quamen reijsen, die (welde) geen gelt hadden
om eten te kopen en grooten honger hebbende en niet wetende waar sij den
honger mede stillen souden, soo sien sij aldaar in een ouwe vuijle sloot
eenige calmins wortelen staan, welke wat bitter van smaake sijn, en van
welke sij oock wat proeven, maar daar bij soo sien sij eenen (disbronte)
wortel hebbende de gedaante van een (pinxternabrel), de welke sij oock
uijt trekken, en daar van een ijgelijse wat medelende ende alsoo de smaak
van dese wortel wat zoutagtiger was, soo aten sij desselve wortel bij
stuckens op ende soo ras en hadde sij dese wortel niet opgegeten of een
deser 4 personen die wort qualijk en sij met haar vier personen een
weijniges voortgegaan sijnde, soo quamen sij bij een Herberge tot
Loendersloot, ende doen eijsche dese qualijken man een weijnigje genever,
't welck men aen hem gaf, doch het wert hiermede niet beter, maar erger,
waarom dat de lieden aldaar hem tusschen twee mannen gaande aen een huijs
van een medicijnmr. bragten welke medicijnmr. aenstonts wat in gaf, dogh
dat en holp niet, waarom dat de medicijnmr. hem andermaal wat ingaf en
doen raakte hij aen 't braken, waardoor hij het fenijn quyt raakt, ende
wederom bij de drie andere personen met de doot te worstelen, want die
waren soo van malkanderen uijtbreijden, en alle drie soo haastelijk als
samen den doot stierven, voorwaar een vreemde sake en (droohtig) voorval,
weijninge diergelijx alhier te lande gebeurt.
AFGEDANKTE ZWITSERSE SOLDATEN
Vrije weergave van bovenstaande tekst.
Vier afgedankte Duits Zwitserse soldaten gingen begin achttiende eeuw te voet
van Utrecht naar Amsterdam. Ze hadden grote honger, maar geen geld om eten
te kopen. Ze zochten in de natuur voedsel om hun honger te stillen. Aan de kant
van een vervuilde sloot zagen ze enige wortelen, die zij uit de grond trokken en
opaten. De smaak was zo bitter en zoutachtig, dat zij die met stukjes en beetjes
naar binnen werkten. Direct na het eten werd é é n van de vier onwel. Gevieren
gingen ze verder tot aan een herberg te Loenersloot. De zieke man vroeg en
kreeg als medicijn een beetje jenever. Zijn toestand werd er echter niet beter
op, maar juist slechter. Ondersteunt door zijn twee kameraden werd hij naar het
huis gebracht van een ‘medicijnmeester’. Deze dorpsdokter gaf de patiënt een
braakmiddel, waardoor hij het gif uit zou spuwen. Het hielp niet direct, pas na
een tweede poging moest de patiënt overgeven. Ook de andere drie soldaten
werden onwel en worstelden met de dood. Allen stierven binnen korte tijd.
Volgens Lustigh was dit een triest voorval, dat weinig in Holland voorkwam.
Lustigh vertelt niets over het gebrek aan sympathie onder de bevolking voor
huursoldaten. Vaak stroopten losgeslagen huursoldaten het platteland af en
punderden afgelegen boerderijen.
STAATSE HUURLINGEN
De zestiende-eeuwse plattelandsbevolking had niet alleen vrees
voor de Spanjaarden, ook het Staatse Leger (Nederlandse huurleger)
was hun vijand. Het Staatse Leger was, zolang de 80-jarige oorlog
duurde, op voet van oorlog. Dat wil zeggen, iedere ingehuurde
legerbende, geleid door ingehuurde officieren, leverde een gevaar op
voor het platteland. Deze officieren kwamen meestal voort uit de
allerlaagste Duitse adel en waren even meedogenloos als zij die uit
de lagere rangen waren opgeklommen. Van nog minder allooi waren de
soldaten, die over het algemeen uit de armste asociale klasse
kwamen. Voor een groot deel waren het buitenlanders, vooral uit de
achterlijkste gebieden in het oostelijke deel van Duitsland en
Polen. Ook armlastige Schotten werden huursoldaat. Huurlingen
werden betaald, moesten hun misdadige werk doen en werden geminacht.
Door de aard van het 'bedrijf' waren het rauwe klanten,
voor wie tijdens de veldtocht de plattelanders (vooral vrouwen) niet
veilig waren. Nood en zucht naar avontuur hadden ze het huurleger
ingedreven. (aan welke kant ze vochten, het maakte niet uit) Waren
ze eenmaal soldaat, dan was terugkeer naar de burgermaatschappij
vrijwel uitgesloten. De maatschappij was veelal niet bereid hen op
te nemen. Eenmaal soldaat, altijd soldaat.
Hun Nederlandse overheden bedreven de grootste huichelarij, eerst
misbruik maken en vervolgens uitkotsen. Een voorbeeld van
huichelarij leverde Constantijn Huygens.
Hij was de hoogste ambtenaar aan het Hof van de
Oranjes. Huygens maakte op veilige afstand veldtochten van het
Staatse vreemdelingenlegioen mee. Hij die bij uitstek een kenner van
het militaire leven was, vergeleek in een sneldicht het
soldatenleven met dat van hoeren.
"Denk waar de lege maag/ een kalis (kale neet toe vervoert: voor
slechts 5 stuivers daags/ ben ik bereid te sterven. Ziet snollen, ik
verhuur mijn vlees/ tot slaan en kerven. Wat hebt gij lichter werk /
die 't uwe maar verhoert".
Veel moeilijker was het voor vrouwen die hun man als blijvende
oorlogsinvalide uit de strijd zagen terugkeren en samen met hem tot
de bedelstaf werden gebracht. Ook hier maakte Huygens vol
LEEDVERMAAK een rijmpje op:
"Noch wensen sij maer half dat hij moght vertellen,
Verlegen met een stomp, verrijckt van 't derde been (kruk)
Verr'ongerieff een mancke mann als geen;
Dat graffschrift schencken hem de naeste van sijn magen,
En dat's de rotte vrucht van bloed om goed te wagen"
Spreekt uit deze regels medelijden met het lot van de ongelukkige bedelaar?
Minachting wint het hier van bewogenheid. Wie laag genoeg staat zijn leven voor geld op het spel
te zetten moet niet klagen als het fortuin zich tegen hem keert. Hier strekt niet sterk het besef,
DAT DIE SOLDAAT TOCH MAAR ZIJN HUID GEWAAGD HEEFT, OMDAT HUYGENS EN ZIJN SUPER RIJKE VRIENDEN LIEVER NIET ZELF GAAN STRIJDEN VOOR KERK EN VADERLAND EN ZICH KUNNEN VEROORLOVEN DIE PLICHT TEGEN BETALING DOOR ANDEREN TE LATEN VERVULLEN.
_____________________________________________
lustigh-zwitserse-huursoldaten.blogspot.com
_______________________
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
_________________________________________________
Nieuws.nl - 'Opstand tegen Spanje was misdadige oorlog'
Woensdag 17 oktober 2007
'Opstand tegen Spanje was misdadige oorlog'
Uitgegeven op dinsdag 16 oktober 2007 om 15:14:51
(Novum) - De Opstand tegen Spanje was in de zestiende en
zeventiende eeuw een misdadige oorlog en geen glorieuze
bevrijdingsstrijd. Dat stelt Neerlandicus Leo Adriaenssen, die
vrijdag 26 oktober promoveert aan de Universiteit van Tilburg.
Adriaenssen onderzocht hoe de plattelandsbevolking rond Den
Bosch het oorlogsgeweld onderging. Troepen van de
Republikeinse staten zouden oogsten hebben vernield,
landerijen onder water hebben gezet en dorpen hebben verbrand.
Willem van Oranje was de initiator van dit beleid. Zijn zonen
Maurits en Frederik Hendrik waren hier medeverantwoordelijk
voor.
Ieder verzet werd volgens Adriaenssen beantwoord met
gijzeling, brandstichting, marteling en roof. De Tachtigjarige
Oorlog zou, gezien de mate van geweld waaraan de
plattelandsbevolking werd blootgesteld, niet te rechtvaardigen
zijn geweest. Volgens Adriaenssen had de bevolking in
tegenstelling tot bijvoorbeeld Hollandse kooplieden maar
weinig belangen bij de nieuwe staat.
Door de oorlog liep de bevolking rond Den Bosch met zeventig
procent terug. De Spaanse overheersing in het gebied was in
1629 voorbij. De Republiek sloot in 1648 vrede met Spanje.
[Copyright 2007, Novum]
_______________________________________________
Labels: Gooise geschiedenis




